
Jurisprudentie
AP2062
Datum uitspraak2004-06-18
Datum gepubliceerd2004-06-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/028122-03
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/028122-03
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vrijspraak. Op grond van de bevindingen van de patholoog-anatoom moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het overlijden van [A] hoogstwaarschijnlijk het gevolg is geweest van gewelddadig en strafwaardig handelen. Echter ook indien in deze zaak wettig en overtuigend bewezen zou worden dat [A] is overleden door het toepassen van uitwendig geweld, is het om tot een bewezenverklaring van het geheel onder 1 tenlastegelegde feitencomplex te kunnen komen noodzakelijk dat vast komt te staan welke rol verdachte en zijn medeverdachte daarin hebben gespeeld.
Tevens vrijspraak mishandeling.
Uitspraak
RECHTBANK TE UTRECHT
Parketnummer: 16/028122-03
Datum uitspraak: 18 juni 2004
Tegenspraak
Raadsman: mr. H.K. Jap-A-Joe
G/T: Ja
V O N N I S
van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:
[Verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in [...].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2, 3 en 4 juni 2004.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is een nadere omschrijving als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting toegestaan. Van de dagvaarding en van de voornoemde vordering zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.
Vrijspraak
Aan de hand van het schouwverslag, het verslag van de sectie die op 17 april 2003 werd verricht op het lichaam van [A], de verklaring van de desbetreffende patholoog-anatoom afgelegd bij de rechter-commissaris en de verklaringen afgelegd door kinderarts [...] tegenover de politie en de rechter-commissaris kan voor wat betreft het overlijden van [A] het volgende worden aangenomen.
Toen [A] op 16 april 2003 omstreeks 10.10 uur werd binnengebracht in het ziekenhuis reageerde hij niet meer op reanimatiepogingen en medicatie. Hij was al overleden, maar er was nog geen sprake van lijkstijfheid of lijkvlekken en bij de schouw is om 14.50 uur die dag een lichaamstemperatuur gemeten van 33.36 graden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de dood niet eerder dan ongeveer 08.00 uur 's ochtends is ingetreden. [A] is overleden aan de gevolgen van letsels in de buik, te weten scheuren in de milt en de lever en een gescheurde ophangband van de dunne darm. Deze letsels zijn bij leven ontstaan en waren het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch stomp geweld op de buik, hetzij ineens ontstaan door een inwerking met een breed vlak, hetzij door meerdere inwerkingen. Er zijn microscopisch geen 'opruimreacties' aangetroffen, die er volgens de patholoog-anatoom wel te zien zouden zijn bij de oudste letsels, indien er enkele uren zouden zijn verstreken tussen het toebrengen van de eerste letsels en eventueel later toegebrachte letsels. De rechtbank gaat er vanuit dat de afwezigheid van genoemde opruimreacties ook betekent dat de letsels - hetzij ineens, hetzij in meerdere 'stompen' - niet enkele uren voordat [A] stierf zijn ontstaan. Hoewel blijkens de door patholoog-anatoom [...] afgelegde verklaring bij dergelijke letsels de dood na een kwartier tot enkele uren zal intreden, moet het er derhalve op gehouden worden dat de dood in dit geval betrekkelijk snel - en niet eerst na enkele uren - na het ontstaan van de letsels is ingetreden. Uitgaande van een tijdstip van overlijden van op zijn vroegst ongeveer 08.00 uur, zijn de letsels dan naar alle waarschijnlijkheid niet vóór ongeveer 06.00 uur die ochtend ontstaan.
Verdachte en zijn medeverdachte hebben geen verklaring gegeven voor het ontstaan van de letsels.
Vaststaat dat rond het tijdstip waarop de letsels hoogstwaarschijnlijk zijn ontstaan, alsook de gehele nacht daaraanvoorafgaand, verdachte en zijn medeverdachte met [A] samen in huis zijn geweest. Beiden hebben verklaard dat vanaf ongeveer 04.00 uur, 04.30 uur die ochtend [A] met de medeverdachte op, tegen elkaar geschoven, banken in de woonkamer zijn gaan liggen en dat verdachte toen alleen in de slaapkamer is gebleven en daar is gaan slapen. De medeverdachte heeft verklaard dat zij tegen 07.00 uur 's morgens wakker werd en dat [A] toen ook wakker werd, dat hij nog is opgestaan en wat heeft gedronken en vervolgens zelf weer op de bank is gaan liggen en is gaan slapen. Zij is - zo verklaarde zij - de slaapkamer in gegaan om een broek te pakken en zag toen dat verdachte wakker schrok, schuldig keek en bezweet was. Hij lag in bed en zij gebaarde hem verder te gaan slapen. Verdachte zelf heeft verklaard dat hij niets heeft gehoord of gemerkt vanaf het moment dat hij alleen in de slaapkamer ging slapen tot het moment dat zijn medeverdachte hem wakker maakte tegen 10.00 uur. Wat er precies in de woning is voorgevallen tussen 04.00 uur en 10.00 uur is niet met zekerheid vast te stellen. Duidelijk is dat [A] hoogstwaarschijnlijk juist in die tijdspanne het stompe geweld op zijn buik heeft bekomen dat tot zijn dood heeft geleid. In de verklaring afgelegd door de medeverdachte zijn enige aanwijzingen te vinden dat verdachte degene is geweest die het letsel zou hebben toegebracht. De medeverdachte heeft verklaard dat zij [A] ongeveer een half uur nadat zij na 07.00 uur weer bij hem was gaan slapen op de bank in de woonkamer, voelde schokken. Ook heeft zij verklaard dat er die avond en nacht ruzie is geweest en dat verdachte laat in de avond [A] tegen het hoofd heeft geslagen en vroeg in de nacht wellicht heeft gestompt; zij voelde/hoorde om ongeveer 02.00 uur een bonk tegen de bank en zag dat verdachte toen een dekentje over [A] heen legde. Op dat moment lag zij zelf op een bank in de woonkamer en verdachte zat naast [A] die op de tweede bank lag. Ook eerder was verdachte volgens haar verklaring agressief en hardhandig naar [A] als hij niet luisterde. De rechtbank is echter van oordeel dat deze aanwijzingen in de richting van verdachte niet de conclusie rechtvaardigen dat hij die nacht het fatale letsel heeft toegebracht. Daarbij is van belang dat verdachte juist vanaf ongeveer 04.00 uur alleen in de slaapkamer was en dat aannemelijk is dat hij ook heeft geslapen, zeker ook gelet op de verklaring van de medeverdachte dat hij even wakker schrok toen zij rond 07.00 uur in de slaapkamer kwam.
Op grond van de bevindingen van de patholoog-anatoom moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het overlijden van [A] hoogstwaarschijnlijk het gevolg is geweest van gewelddadig en strafwaardig handelen. Echter ook indien in deze zaak wettig en overtuigend bewezen zou worden dat [A] is overleden door het toepassen van uitwendig geweld, is het om tot een bewezenverklaring van het geheel onder 1 tenlastegelegde feitencomplex te kunnen komen noodzakelijk dat vast komt te staan welke rol verdachte en zijn medeverdachte daarin hebben gespeeld. De rechtbank heeft hierover echter geen duidelijkheid verkregen aangezien op basis van de wettige bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd niet valt uit te sluiten dat verdachte geen enkele rol heeft gespeeld bij het overlijden van [A] en alleen de medeverdachte hieraan schuldig is. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Verdachte en zijn medeverdachte is voorts tenlastegelegd dat zij - kort gezegd - in de periode van een half jaar voorafgaand aan het overlijden van [A] al dan niet in vereniging, hem hebben mishandeld. Op basis van de bewijsmiddelen is duidelijk dat [A] in die periode opvallend vaak en veel blauwe plekken had. Ook blijkt dat [A] vaak viel en mede vanwege zijn doofheid vaak - en soms ook hardhandig - werd vastgepakt om hem te kunnen corrigeren en dat eind 2002 onderzoek is gedaan naar de stollingstijd van het bloed nadat [A] bij een val van de trap een zorgwekkend grote bult op zijn hoofd had gekregen. Destijds werd - ook na een tweede meting - een afwijkend beeld geconstateerd hetgeen leidde tot een doorverwijzing naar het kinderziekenhuis voor verder onderzoek naar een mogelijke stollingsziekte. Dat onderzoek had nog niet plaatsgevonden toen [A] overleed en kon post mortaal niet plaatsvinden. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid kan worden gezegd dat de blauwe plekken het gevolg zijn van mishandeling. Daarbij komt dat ook uit de overige bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank niet eenduidig volgt dat verdachte al dan niet samen met zijn medeverdachte [A] mishandelde. Eén getuige verklaarde weliswaar dat hij wel eens gezien had dat verdachte [A] in zijn bedje liet vallen, doch dat daardoor ook pijn en/of letsel is ontstaan is niet gebleken. De medeverdachte heeft - nadat zij met de bevindingen van de patholoog-anatoom was geconfronteerd - verklaard dat verdachte [A] vaak sloeg, kneep en schopte als hij niet luisterde en lastig was. De medeverdachte is daarover ter zitting als getuige gehoord en heeft dit onder ede herhaald. Tijdens dit verhoor verklaarde zij dat van de door de begeleiders van [A] geconstateerde plekken (waarover via een schrift met haar werd gecorrespondeerd) het eenmaal zo was dat die door verdachte waren toegebracht, de andere plekken waren - zoals zij eerder ook aan de begeleiders schreef - daadwerkelijk door vallen veroorzaakt. Na daar een aantal malen nadrukkelijk naar te zijn gevraagd kon zij geen concrete incidenten beschrijven waarin zij had gezien dat verdachte [A] sloeg, stompte of schopte. Zij leidde dat met name af uit het bij de sectie geconstateerde letsel, waar het blauwe plekken betrof die volgens de patholoog-anatoom voor het merendeel karakteristiek zijn voor mishandeling door hardhandig beetpakken en prikken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat haar verklaringen onvoldoende concreet en geloofwaardig zijn. Bij dit oordeel heeft de rechtbank met name ook betrokken dat zij eerder in verschillende gesprekken met diverse hulpverleners alsmede tegenover familieleden en kennissen uitdrukkelijk heeft ontkend dat verdachte [A] mishandelde.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte al dan niet samen met zijn medeverdachte [A] in de periode 1 november 2002 tot en met 14 april 2003 heeft mishandeld
Dit betekent dat verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Teruggave inbeslaggenomen goederen
Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- 1 personenauto, kenteken RF-69-RL, merk Mercedes, type 190, kleur wit;
- 1 telefoon, merk Nec, kleur grijs,
zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Gelast de teruggave van:
- 1 personenauto, kenteken RF-69-RL, merk Mercedes, type 190, kleur wit;
- 1 telefoon, merk Nec, kleur grijs,
aan verdachte.
Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op en beveelt zijn onmiddellijke invrijheidstelling.
Dit vonnis is gewezen door mrs P. Dondorp, I.J.B. Corbey, R.A.E. van Noort, bijgestaan door mr. J. Pieterse als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2004.

